Europa wil zijn onderzeese kabelinfrastructuur beter beschermen. De Europese Commissie zet daarom in op Regional Cable Hubs die informatie over kabels, scheepvaart en andere bronnen moeten samenbrengen om incidenten eerder te detecteren en sneller te kunnen reageren. Maar digitale weerbaarheid gaat niet alleen over het beschermen van bestaande kabels. Zonder geografisch diverse routes, voldoende capaciteit en alternatieve verbindingen blijft ook een goed bewaakte kabelinfrastructuur kwetsbaar.
TEKST: SANDER HULSMAN BEELD: IOEMA FIBRE
Digitale infrastructuur gaat al snel over datacenters, cloudplatforms, AI en glasvezelnetwerken op land. De fysieke basis van die digitale economie ligt echter voor een groot deel onder water. Honderden onderzeese glasvezelkabels verbinden continenten, landen, datacenters, internetknooppunten, bedrijven, overheden en onderzoeksinstellingen. Ze zijn voor gebruikers vrijwel onzichtbaar, maar vormen een essentieel onderdeel van de digitale economie.
De Europese Unie heeft de afgelopen jaren de aandacht voor de veiligheid en weerbaarheid van onderzeese kabels sterk opgevoerd. Het EU Cable Security Action Plan (2025) en de bijbehorende Submarine Cable Security Toolbox (2026) beschrijven maatregelen voor de hele weerbaarheidscyclus: preventie, detectie, respons, herstel en afschrikking. Een belangrijk onderdeel daarvan zijn de Regional Cable Hubs: Europese knooppunten waar informatie over de situatie rond kabelinfrastructuur kan worden samengebracht en gebruikt voor monitoring, beoordeling en respons.
Martin Prins
Monitoring en reparatiecapaciteit lossen de onderliggende kwetsbaarheid niet op
Martin Prins, ambassadeur van de Dutch Subsea Cable Coalition, maakt dat onderscheid. Hij is positief over de Europese investeringen in monitoring en reparatiecapaciteit, maar ziet daarin niet het antwoord op de onderliggende kwetsbaarheid van het netwerk. “Ik ben heel erg blij dat monitoring en reparatiecapaciteit door een aantal knelpunten gaat, maar dat lost de onderliggende kwetsbaarheid niet op. Dus eigenlijk moet je heel erg gaan voor routediversiteit.”
Geografische diversiteit blijft in de discussie vaak onderbelicht. Een netwerk wordt niet automatisch weerbaar omdat er meerdere kabels liggen. Wanneer die kabels dezelfde route volgen, in hetzelfde gebied aan land komen of vervolgens dezelfde terrestrische verbinding gebruiken, kan één incident nog steeds meerdere verbindingen tegelijk raken. Niet het aantal kabels telt, maar hoe onafhankelijk ze van elkaar zijn.
Routediversiteit is niet de enige opgave. Volgens Prins gaat het om drie verschillende manieren waarop de weerbaarheid van het netwerk kan worden versterkt: “Het beveiligen van bestaande kabels, het inbouwen van beveiliging in nieuw aan te leggen kabels en ook de rol die nieuwe kabels kunnen spelen in de algehele beveiliging op zee. Dat zijn eigenlijk de drie speelvelden.”
Alexander van den Hil
Preventie verkleint de kans op uitval, geografische diversiteit beperkt de gevolgen
Alexander van den Hil, International Policy and Strategy Lead bij SURF, de ICT-samenwerkingsorganisatie voor onderwijs en onderzoek, kijkt vanuit het perspectief van onderwijs en onderzoek naar dezelfde ontwikkeling. Voor SURF is betrouwbare internationale digitale connectiviteit een randvoorwaarde voor onderwijs, onderzoek en grote internationale projecten. Van den Hil ziet daarom geen tegenstelling tussen het beschermen van bestaande verbindingen en het ontwikkelen van alternatieve routes. “Volgens mij moeten we dat beiden doen.”
Betere bescherming verlaagt volgens hem het risico op uitval en daarmee ook het investeringsrisico van nieuwe kabelprojecten. Maar alternatieve routes zijn nodig voor situaties waarin bescherming of reparatie zelf moeilijk is. De ontwikkeling van nieuwe verbindingen via bijvoorbeeld het Noordpoolgebied kan daarbij een aanvulling vormen op bestaande routes. Preventie verkleint volgens Van den Hil de kans op uitval, geografische diversiteit beperkt de gevolgen.
De Regional Cable Hubs moeten het vermogen vergroten om incidenten rond bestaande infrastructuur eerder te signaleren, informatie te combineren en sneller te reageren. Nieuwe kabelroutes pakken een ander deel van het probleem aan: ze zorgen ervoor dat Europa niet afhankelijk blijft van dezelfde geografische corridors. Volgens Van den Hil zijn die twee Europese doelstellingen belangrijk, maar moet Nederland daarnaast naar zijn eigen positie kijken.
De Europese versterking van de digitale weerbaarheid en het behoud van de Nederlandse positie als digitaal knooppunt zijn volgens Van den Hil niet hetzelfde doel. Europese programma’s kunnen de weerbaarheid van het continent vergroten, maar nieuwe verbindingen versterken de Nederlandse positie alleen wanneer Nederland daadwerkelijk onderdeel wordt van die nieuwe routes.
Een nieuwe kabelverbinding kan bijdragen aan de Europese weerbaarheid zonder de Nederlandse positie te versterken. Andersom kan een verbinding die Nederland als aanlandingspunt gebruikt zowel de Europese redundantie als de Nederlandse digitale hubfunctie ondersteunen.
Volgens Van den Hil dreigt Nederland terrein te verliezen op het gebied van digitale infrastructuur, terwijl de politieke en economische aandacht sterk verschuift naar toepassingen als AI. “We beginnen in Nederland hard achterop te raken met betrekking tot de digitale infrastructuur.”
Daarom is volgens hem een stimulerings- en investeringsagenda nodig voor het digitale fundament van de komende decennia. Onderzeese kabels vormen daar een belangrijk onderdeel van. Het gaat ook om de positie die Nederland over tien of twintig jaar inneemt in de Europese digitale economie.
De gebeurtenissen in de Rode Zee maken het belang van geografische diversiteit concreet. Op 24 februari 2024 werden drie onderzeese kabels in de Rode Zee beschadigd. Volgens Amerikaanse functionarissen werden de kabels geraakt door het anker van de Rubymar, een commercieel schip dat enkele dagen eerder door Houthi-rebellen in Jemen met een raket was getroffen en later zonk. De gebeurtenis werd aanvankelijk ook in verband gebracht met mogelijke doelgerichte aanvallen op onderzeese infrastructuur. De precieze toedracht en intentie waren echter onderwerp van discussie.
Beter toezicht alleen lost dat niet op; er zijn ook andere routes nodig
Het voorbeeld laat zien dat digitale infrastructuur niet rechtstreeks het doelwit hoeft te zijn om toch door een conflict of incident geraakt te worden. De Rode Zee is bovendien een geografisch knelpunt. Volgens de Amerikaanse denktank Center for Strategic & International Studies (CSIS) liep in 2024 naar schatting 90 procent van de dataverkeer tussen Europa en Azië en ongeveer 17 procent van het wereldwijde internetverkeer via kabels onder de Straat van Bab-el-Mandeb.
Wanneer meerdere verbindingen in zo’n geografisch geconcentreerd gebied worden getroffen, zijn de gevolgen ver buiten het gebied voelbaar. Beter toezicht alleen lost dat niet op; er zijn ook andere routes nodig.
Europa heeft ook nieuwe kabelcapaciteit nodig. De vraag naar internationale bandbreedte blijft sterk groeien. TeleGeography rapporteerde voor 2024 een groei van 29 procent in de wereldwijde vraag naar internationale bandbreedte. Over 2020–2024 bedroeg de samengestelde jaarlijkse groei 32 procent. De vraag is in die periode verdrievoudigd tot meer dan 6,4 petabit per seconde.
Nieuwe capaciteit is nodig om groeiende datastromen van cloud, AI en internationale digitale diensten te verwerken. Nieuwe verbindingen kunnen tegelijkertijd zorgen voor geografische diversiteit. Martin Prins legt daarom nadruk op de fysieke infrastructuur die Europa de komende jaren nodig heeft. “Mijn prioriteit ligt echt bij nieuwe capaciteit. De toekomst moet voorbereid zijn. We moeten blijven volhouden dat wij het digitale kruispunt van Noordwest-Europa zijn. Die rol hebben we en die moeten we ook blijven claimen.”
Volgens Prins ontbreekt er in de Europese discussie nog een langetermijnbeeld van de benodigde kabelinfrastructuur. “De discussie moet niet gaan over de capaciteit van vandaag, maar over hoeveel kabelsystemen Europa over tien jaar nodig heeft en waar die moeten landen. Dat komt neer op strategische capaciteitsplanning voor digitale infrastructuur.”
Voor Nederland is die discussie extra relevant. Ons land beschikt over een sterke concentratie van digitale infrastructuur: internetknooppunten, datacenters, internationale glasvezelnetwerken en verbindingen met andere Europese markten. Voor Van den Hil betekent dat niet dat Nederland automatisch zijn positie behoudt. Daarvoor zijn volgens hem nieuwe investeringen in het fysieke digitale fundament nodig.
Zorg dat de grote hyperconnectiviteit in Nederland gecentreerd blijft
Voor Prins is het behouden van de Nederlandse hubfunctie een expliciete strategische keuze. “Laat die grote AI-clouds maar gebeuren waar de stroom goedkoop is. […] Laat die grote onderzeese kabels alsjeblieft daar landen om die data daar naartoe te brengen. Maar zorg ervoor dat het mesh-netwerk, de grote hyperconnectiviteit die je nodig hebt om die bedrijven en bewoners te ondersteunen, in Nederland gecentreerd blijft.”
Geografische diversiteit onderdeel is geworden van de Nederlandse discussie over digitale infrastructuur. Het kabinet trok op 15 september 2026 18 miljoen euro uit voor zeebodemonderzoek naar een mogelijke Nederlandse aftakking van een nieuwe onderzeese kabel tussen Europa en Azië via het Noordpoolgebied. Zo wil het sterkere en meer diverse digitale verbindingen realiseren.
Eckhard Bruckschen
Nieuwe kabels kunnen als volgende generatie infrastructuur worden ontworpen
IOEMA-1 is een concreet voorbeeld van hoe zo’n nieuwe route kan worden vormgegeven. Het project wordt ontwikkeld door IOEMA Fibre, dat in 2023 werd opgericht. CEO en eigenaar is Eckhard Bruckschen. In mei 2026 sloot IOEMA Fibre bovendien een samenwerking met APTelecom om de ontwikkeling van het systeem verder te versnellen. IOEMA-1 bevindt zich nog in de ontwikkel- en realisatiefase.
Het systeem moet een vrij toegankelijke en carrier-neutrale, onderzeese kabel worden die het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Duitsland, Denemarken en Noorwegen met elkaar verbindt. Vrij toegankelijk betekent dat de kabelinfrastructuur beschikbaar wordt gesteld aan verschillende klanten en netwerkpartijen, in plaats van exclusief voor één telecomoperator. Carrier-neutraal betekent dat IOEMA Fibre zelf niet concurreert met zijn klanten als telecom- of netwerkdienstverlener, maar ruimte biedt aan verschillende carriers, serviceproviders en andere gebruikers. IOEMA-1 moet nieuwe, directe routes toevoegen tussen het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en de Noordse landen.
Bruckschen ziet geografische diversiteit als het fundament van weerbaarheid. “Geografische diversiteit is de basis van weerbaarheid. Iedere kabel krijgt uiteindelijk een storing en reparaties in de Noordzee duren dagen tot weken. Vaak is niet de reparatie zelf de beperkende factor, maar de beschikbaarheid van een reparatieschip. Wat gebruikers beschermt, is de mogelijkheid om het verkeer tijdens de reparatie om te leiden via een fysiek gescheiden route.”
Daarbij gaat het volgens Bruckschen om meer dan alleen de onderzeese kabel. “Die diversiteit moet door de hele keten lopen, met verschillende aanlandingspunten, landingsstations, landverbindingen en routes die op zee geen corridor en aan land geen knelpunten met elkaar delen.” Een kabel die op een fysiek diverse manier de Noordzee oversteekt, maar vervolgens op land samenkomt met een andere verbinding, levert minder redundantie dan op papier lijkt.
Een tweede element is resilience by design. Volgens Bruckschen moet monitoring niet achteraf aan een kabel worden toegevoegd, maar al onderdeel zijn van het ontwerp. Bij IOEMA-1 gaat het volgens hem om verschillende lagen. De route wordt op basis van onderzoeksgegevens van de zeebodem ontworpen om blootstelling aan bijvoorbeeld ankers en bodemvisserij te beperken. Daarnaast wordt gekeken naar sensortechnieken zoals distributed acoustic sensing (glasvezel als sensor die trillingen meet) en C-OFDR (optische meettechniek om glasvezelkabels over zeer grote afstanden te controleren op zwakke plekken, breuken of trillingen).
Ook de repeaters (versterkers) kunnen sensordata leveren, onder meer over temperatuur, druk en seismische activiteit. Die informatie kan vervolgens worden gecombineerd met gegevens over scheepvaart. Zo ontstaat niet alleen een alarmsignaal wanneer een kabel fysiek beschadigd raakt, maar kan eerder worden vastgesteld dat zich iets in de directe omgeving van de kabel afspeelt.
Volgens Bruckschen moet die mogelijkheid dus vanaf het begin in het ontwerp worden meegenomen. “De meeste sensortechnologie moet vanaf het begin worden meegenomen in de toewijzing van glasvezelparen, het vermogensbudget en het ontwerp van de repeaters. Achteraf toevoegen is veel moeilijker en in sommige gevallen zelfs niet mogelijk.” Nieuwe kabels kunnen daardoor meteen als volgende generatie infrastructuur worden ontworpen.
Rhoderick van de Wyck
Kabeloperators zijn eerder bereid informatie te delen als de informatiestroom in beide richtingen gaat
De verbinding tussen de onderzeese kabel en de infrastructuur op land is daarbij cruciaal. Volgens Managing Director International Business Rhoderick van der Wyck is Eurofiber, aanbieder van vitale, zakelijke IT-infrastructuur, partner van het IOEMA-initiatief voor onderzeese kabels geworden, omdat deze verbinding de digitale infrastructuur van Nederland en Noord-Europa verder versterkt. “Als landings- en connectiviteitspartner verbinden we de aanlandingspunten in Rotterdam en Eemshaven met ons uitgebreide glasvezelnetwerk. Zo ontsluiten we de onderzeese kabel richting datacenters en bedrijfslocaties en dragen we bij aan meer internationale capaciteit, routediversiteit en redundantie; essentieel voor een weerbare digitale samenleving.”
Routediversiteit eindigt niet bij de kust. Een nieuwe onderzeese kabel is pas volledig weerbaar als ook de verbinding vanaf het landingsstation naar datacenters, internetknooppunten en bedrijfslocaties voldoende divers is.
Hier komen de Regional Cable Hubs weer in beeld. Een kabeloperator beschikt over informatie over de conditie van zijn verbinding. Scheepvaartpartijen hebben informatie over schepen. Overheden beschikken over radar- en andere veiligheidsinformatie. Satellieten, camera’s en sensoren kunnen aanvullende observaties leveren.
Het probleem is dat de informatie verspreid is en onduidelijk is onder welke voorwaarden ze gedeeld mag worden. Bruckschen ziet een duidelijke bijdrage van kabeloperators aan zo’n Europees informatiebeeld. Zij kunnen volgens hem live gegevens leveren over storingen en prestaties, waaronder signaalverlies, optische veranderingen en meetgegevens van de versterkers. Maar daarvoor moet ook informatie de andere kant op gaan.
Sensortechnologie alleen maakt het Europese digitale netwerk niet weerbaar
Kabeloperators hebben volgens hem behoefte aan informatie die verder gaat dan openbare gegevens van het scheepsvolgsysteem AIS, bijvoorbeeld over schepen waarvan het scheepsvolgsysteem is uitgeschakeld of gemanipuleerd. Ook radar-, satelliet- en patrouille-informatie rond de kabelroute kan relevant zijn. “Wat dit laat werken, is wederkerigheid en duidelijke regels: een beveiligd kanaal, gemeenschappelijke dataformaten, afspraken over wie welke informatie mag zien en juridische bescherming voor kabeloperators die gevoelige gegevens delen. Kabelperators zijn eerder bereid informatie te delen als de informatiestroom in beide richtingen gaat.”
Dit is een van de lastigste onderdelen van de Europese aanpak. De uitdaging is om de bestaande informatie onderling bruikbaar te maken zonder commerciële belangen, veiligheidseisen en privacy- of vertrouwelijkheidsregels uit het oog te verliezen.
De Noordzee heeft een eigen karakter. Telecomkabels liggen er naast elektriciteitsinterconnectoren, pijpleidingen en infrastructuur voor offshore wind. Daarboven varen schepen en wordt gevist.
De Nederlandse overheid benoemde in 2024 in een Kamerbrief de bescherming van deze infrastructuur als onderdeel van de bredere veiligheid van de Noordzee. Ook Bruckschen ziet de Noordzee als een logische kandidaat voor een volgende stap in de Europese informatie- en security-aanpak. “De eerste Regional Cable Hubs richten zich op de Oostzee en de Middellandse Zee. Het uitbreiden van het model naar de Noordzee, met zijn concentratie van telecomkabels, elektriciteitsinterconnectoren, pijpleidingen en offshore wind, zou een logische volgende stap zijn.” Dat is een visie van de sector, geen aangekondigd Europees besluit.
Bij een onderzeese kabel met moderne sensortechnologie kan eerder worden vastgesteld dat er iets rond de kabel gebeurt. Sensortechnologie alleen maakt het Europese digitale netwerk niet weerbaar. Daarvoor zijn meerdere routes, een gedeeld informatiebeeld, snelle reparatie en een ontwerp nodig waarin de gevolgen van een storing vanaf het begin zijn meegenomen.
De echte Europese uitdaging is het beschermen van de kabels die er al liggen en het bepalen hoe het netwerk van morgen eruit moet zien. Want die begint jaren eerder. Waar de volgende kabel komt, bepaalt de weerbaarheid van morgen. ![]()
Op 29 oktober organiseert de Dutch Subsea Cable Coalition het webinar ‘How is the Netherlands making subsea cable landings possible?’ Het webinar biedt praktische inzichten in processen rond zeekabelaanlandingen, bespreekt kansen voor nieuwe verbindingen en belicht (inter)nationale perspectieven. Daarnaast is er ruimte voor vragen en gesprek met deelnemers.
01 DSR Magazine
Editie 04 – Oktober 2026
02 Voorwoord & inhoud
Colofon
03 Kwartaaloverzicht
Van digitale afhankelijkheid naar concrete keuzes
04 Interview
Bart Pustjens (Deloitte) over het Europees maken van digitale soevereiniteit
05 Weg uit de cloud?
Waarom de serverkast terug is
07 Jubileum
Jeroen Meeter over twintig jaar Blue Billywig
08 Whitesky.cloud
De Whitesky Federatie
9 Introductie
Digitale weerbaarheid begint met inzicht in afhankelijkheden
10 Round table
Hoe bouwen we resilience bij cyber-, energie- en geopolitieke verstoringen?
11 Video-interviews
Digital resilience: als de digitale schakel morgen wegvalt
12 Strategische keuzes
Doe mee met de DSR Round Table van 16 december 2026
13 Zeekabels
De digitale weerbaarheid van Europa begint onder water
14 Cloud resilience
Datacenters onder vuur
15 Blue Billywig
Het Europese alternatief voor YouTube
16 Interview
Heino Bosma en Stef van der Ziel (Jet-Stream) over hun Europese Vimeo-alternatief
17 DSR
Abonneer je nu op onze nieuwsbrief!
18 Analyse
Zwitserland zegt ‘nein’ tegen AWS
19 Essay
Brenno de Winter over kattige soevereiniteit
20 Vooruitblik
Digitale keuzes worden concreet
21 Planning
Dit doet DSR eind 2026 en in 2027