Digitale soevereiniteit is geen abstract geopolitiek begrip meer. Wie zijn digitale infrastructuur doorlicht, vindt een web van afhankelijkheden: van open-sourcecode en SaaS-diensten tot data, cloudinfrastructuur en geopolitieke verhoudingen. Zeven experts laten zien waar die afhankelijkheden zitten en vooral wat organisaties ermee kunnen doen.
TEKST: SANDER HULSMAN BEELD: EVENTSHOOT
Wie de controle heeft over digitale systemen, is steeds lastiger te zeggen. Software bestaat uit componenten die weer van andere componenten afhangen, data stroomt tussen systemen en leveranciers, en een ogenschijnlijk eenvoudige SaaS-dienst kan onderdeel zijn van een bedrijfskritisch proces. Achter een Europese leverancier kan bovendien een niet-Europese infrastructuurleverancier zitten.
Digitale soevereiniteit begint met inzicht in waarvan je afhankelijk bent, wat er gebeurt als die afhankelijkheid wegvalt en hoeveel vrijheid je dan overhoudt. Naast security spelen continuïteit, herstelbaarheid, overdraagbaarheid en governance mee, en ook de strategische keuzes die Europa zelf maakt. Zeven gesprekken tijdens onze roundtable geven daar een beeld van.
Voor Vincent Thalen, CEO van Hardened, begint digitale afhankelijkheid al in de software zelf. Organisaties weten doorgaans wel dat ze open source gebruiken, maar veel minder wat ze precies binnenhalen.
Een ontwikkelaar die een package installeert, haalt vaak automatisch een reeks afhankelijkheden en deelafhankelijkheden binnen. Nu AI steeds vaker code genereert, loopt dat snel op. Organisaties draaien zo soms software waarvan ze niet precies weten welke componenten erin zitten of waar die vandaan komen. Volgens Thalen is open source daarmee ook een kwestie van licenties, compliance en business continuity.
Een belangrijk risico zit bij de maintainers. Veel projecten worden onderhouden door kleine groepen of individuele ontwikkelaars. Valt zo’n maintainer weg, dan liggen updates en securitypatches mogelijk stil en wordt de software die een organisatie blijft gebruiken langzaam kwetsbaarder. Het kan ook gebeuren dat iemand een project overneemt en kwaadwillend blijkt, of dat een component zo oud wordt dat de applicatie waarin het zit niet meer werkt. Een organisatie moet daarom naast kwetsbaarheden opsporen en patchen ook weten waar een component wordt gebruikt, het kunnen blokkeren of vervangen en achteraf kunnen terugvinden waar het is ingezet. “Je moet dit inzicht eerder in het proces organiseren. Doe dit niet pas aan het einde van de ontwikkelstraat, maar kijk bij de voordeur al wat er wordt binnengehaald.”
Mark Kraakman, medeoprichter van AhaSend, laat zien dat afhankelijkheid niet alleen in softwarecode zit. Ook een simpele dienst als transactionele e-mail kan bedrijfskritisch worden. AhaSend verzorgt de e-mail voor bijvoorbeeld facturen, wachtwoordresets, MFA-codes en reserveringen. Zolang alles werkt, lijkt zo’n dienst ondersteunend, maar als de e-mail wegvalt, stopt de klantreis. Wie zijn MFA-code niet ontvangt, kan niet inloggen, en wie geen reserveringsbevestiging krijgt, kan niet verder.
Kraakman adviseert afhankelijkheden bewust van elkaar los te trekken, niet alleen bij e-mail maar in de hele digitale infrastructuur. Website, domein, e-mail en andere diensten zouden niet allemaal van één partij of één ecosysteem moeten afhangen. “Sommige klanten kiezen er bijvoorbeeld voor om meerdere e-mailproviders naast elkaar te gebruiken, zodat verkeer kan worden verschoven wanneer één partij uitvalt.”
Tegelijk waarschuwt hij voor een te simpele invulling van ‘Europees’. Dat een leverancier Europees is, zegt op zichzelf niet genoeg. Organisaties moeten weten waar een dienst draait, wie erachter zit en hoe ze eraf kunnen als dat nodig is. Het is ook een ontwerpvraag: hoeveel keuzevrijheid houd je over?
Bert Stam, managing director van Leaseweb Nederland, maakt een onderscheid dat volgens hem cruciaal is in de discussie over datasoevereiniteit: eigendom is niet hetzelfde als controle. Een organisatie kan juridisch eigenaar van haar data zijn, maar bepaalt daarmee nog niet zelf waar die data terechtkomt, wie erbij kan en onder welke jurisdictie de verwerking valt.
De verbindingen tussen systemen vormen daarbij een blinde vlek. “Vrijwel iedere server en database staat in verbinding met andere systemen. Data stroomt daardoor voortdurend door verschillende onderdelen van de digitale keten.” Stam noemt als voorbeeld een organisatie die bewust voor een soevereine cloud kiest, maar Microsoft Fabric gebruikt om de data te bewerken. Waar de data daarna terechtkomt en welke partijen erbij betrokken zijn, is niet altijd duidelijk. De organisatie acht zichzelf soeverein, terwijl de data via een andere route de organisatie verlaat.
Ook continuïteit hangt hiermee samen. Heeft een organisatie een exitstrategie voor als een leverancier niet meer beschikbaar is, en kan ze met lokale data of infrastructuur minimale dienstverlening blijven bieden? Stam adviseert niet alleen naar certificeringen te kijken, maar ook de leveringsvoorwaarden te lezen. “Daarin staat bijvoorbeeld wat er met data gebeurt en welke auditrechten een klant heeft.” Volgens Stam moet de bewustwordingsfase voorbij zijn. “Organisaties moeten keuzes maken en zorgen dat ze onafhankelijk blijven in wat er met hun data gebeurt.”
Allain Silbernberg, marketingmanager van Escrow4all, brengt de discussie terug naar de vraag wat er gebeurt als een cruciale softwareleverancier morgen niet meer beschikbaar is. Vooral bij SaaS gaan organisaties er volgens hem gemakkelijk van uit dat beschikbaarheid vanzelfsprekend is. Wie van een leverancier afhankelijk is, moet ook het omgekeerde scenario doordenken.
Wat heb je nodig om verder te kunnen? Een kopie van de data is niet genoeg: voor herstel kunnen ook broncode, documentatie, architectuurinformatie, afhankelijkheden, licenties en kennis over de gebruikte infrastructuur nodig zijn. Silbernberg onderscheidt drie begrippen: beschikbaarheid, herstelbaarheid en overdraagbaarheid. Beschikbaarheid betekent dat je morgen nog bij je omgeving kunt. Herstelbaarheid houdt in dat je de software opnieuw kunt opbouwen. Overdraagbaarheid zorgt ervoor dat een andere partij het systeem kan overnemen of dat je naar een andere omgeving kunt migreren.
Een contractuele afspraak is volgens hem niet genoeg. “Je moet ook technisch kunnen aantonen dat de informatie die je nodig hebt daadwerkelijk beschikbaar en bruikbaar is.” Escrow draait dus niet alleen om het bewaren van bestanden, maar vooral om het verifiëren en testen van wat er in de digitale kluis staat. Zijn centrale vraag is eenvoudig: “Als je leverancier morgen verdwijnt, weet je dan zeker dat je er morgen nog bij kunt?”
Stef van der Ziel, eigenaar van Jet-Stream, vindt dat digitale soevereiniteit vooral een middel is om vrijheid en controle te behouden, geen doel op zich. Jet-Stream begon zeven jaar geleden met het in kaart brengen van zijn digitale afhankelijkheden. Het bedrijf bekeek zowel de directe leveranciers als de systemen daaromheen en de toeleveranciers van leveranciers. CRM, betalingen, administratie, e-mail en communicatie: alles kwam op de lijst.
Vervolgens werd gekeken wie de leverancier was, waar de infrastructuur stond en welke partijen erachter zaten. Nieuwe inkoop wordt op dezelfde manier beoordeeld. Zo’n beoordeling kan ertoe leiden dat een organisatie afscheid neemt van een leverancier. “Soms is een alternatief beschikbaar, soms moet een organisatie een deel van de technologie zelf bouwen.” Voor Jet-Stream betekende dat bijvoorbeeld dat bepaalde videoprocessen niet langer bij een Amerikaanse cloudleverancier werden ondergebracht, maar zelf werden ontwikkeld.
Van der Ziel ziet het als doorlopend werk, want elke nieuwe leverancier brengt nieuwe afhankelijkheden mee. Het moet daarom onderdeel zijn van de organisatiecultuur en het inkoopproces. “Digitale soevereiniteit is geen technisch vinkje. Het gaat over de vrijheid om je data, content en kennis te kunnen blijven gebruiken en delen, ook als de omstandigheden veranderen.”
Bij Jeroen Meeter, CEO van Blue Billywig, wordt zichtbaar hoe digitale weerbaarheid er technisch uitziet wanneer een dienst op grote schaal moet functioneren. Video is een complexe keten: een bestand moet worden verwerkt en getranscodeerd naar verschillende formaten en kwaliteitsniveaus, waarna opslag, databases, players, analytics, infrastructuur en content delivery networks (CDN’s) volgen.
Blue Billywig verwerkt tientallen miljarden analyticsverzoeken per jaar. Een live-evenement met 150.000 kijkers genereerde volgens Meeter een datastroom van ongeveer drie terabit per seconde, een belasting die één datacenter niet aankan. Weerbaarheid vraagt daarom om redundantie op meerdere niveaus: databases, backups, locaties, CDN’s, caching en capaciteit. “Als één onderdeel uitvalt, moet een ander onderdeel de dienstverlening kunnen overnemen,” aldus Meeter.
In de praktijk werkt dat: Meeter stelt dat Blue Billywig de afgelopen vier jaar geen videoverzoeken heeft gemist. Er was wel een databaseuitval waarbij het aantal verzoeken de capaciteit overschreed, maar de videodistributie bleef volledig beschikbaar. Digitale weerbaarheid is dus niet alleen een kwestie van beleid of contracten: ze moet in de architectuur zitten. Hoe complexer de dienstverlening, hoe belangrijker het is de hele keten te begrijpen.
Engelbert Pelster, strategic growth executive & ecosystem lead bij DXC Technology, kijkt vervolgens breder. Zelfs als een organisatie haar eigen afhankelijkheden goed in kaart heeft, blijft ze onderdeel van een grotere technologische en geopolitieke keten.
DXC wordt door zijn historische achtergrond vaak als Amerikaans gezien. Pelster wijst erop dat DXC Nederland een Nederlandse juridische entiteit is, met Europese medewerkers en activiteiten die onder Europese wetgeving vallen. “Het is daarom belangrijk om onderscheid te maken tussen eigendom, juridische entiteit, infrastructuur, personeel en feitelijke toegang tot data.”
Tegelijk ziet hij dat Europa voor een bredere uitdaging staat. “Europese landen beschikken over veel technologie en kennis, maar zijn sterk versnipperd. Verschillende landen bouwen en beheren vergelijkbare systemen, terwijl Europese technologiebedrijven niet altijd dezelfde schaal hebben als de grote Amerikaanse platforms.” Dat roept vragen op die organisaties niet in hun eentje kunnen beantwoorden: hoeveel strategische technologie wil Europa zelf beheersen, waar zijn gezamenlijke keuzes nodig en hoe voorkom je dat Europese organisaties bij elke kritieke digitale behoefte terugvallen op dezelfde mondiale leveranciers?
Voor Pelster ligt een deel van het antwoord in meer Europese samenwerking en het bundelen van kennis en keuzes. De ronde komt zo terug bij waar ze begon: afhankelijkheid. De schaal is wel gegroeid: van een softwarecomponent naar een organisatie, een keten en uiteindelijk heel Europa. 01 DSR Magazine
Editie 04 – Oktober 2026
02 Voorwoord & inhoud
Colofon
03 Kwartaaloverzicht
Van digitale afhankelijkheid naar concrete keuzes
04 Interview
Bart Pustjens (Deloitte) over het Europees maken van digitale soevereiniteit
05 Weg uit de cloud?
Waarom de serverkast terug is
07 Jubileum
Jeroen Meeter over twintig jaar Blue Billywig
08 Whitesky.cloud
De Whitesky Federatie
9 Introductie
Digitale weerbaarheid begint met inzicht in afhankelijkheden
10 Round table
Hoe bouwen we resilience bij cyber-, energie- en geopolitieke verstoringen?
11 Video-interviews
Digital resilience: als de digitale schakel morgen wegvalt
12 Strategische keuzes
Doe mee met de DSR Round Table van 16 december 2026
13 Zeekabels
De digitale weerbaarheid van Europa begint onder water
14 Cloud resilience
Datacenters onder vuur
15 Blue Billywig
Het Europese alternatief voor YouTube
16 Interview
Heino Bosma en Stef van der Ziel (Jet-Stream) over hun Europese Vimeo-alternatief
17 DSR
Abonneer je nu op onze nieuwsbrief!
18 Analyse
Zwitserland zegt ‘nein’ tegen AWS
19 Essay
Brenno de Winter over kattige soevereiniteit
20 Vooruitblik
Digitale keuzes worden concreet
21 Planning
Dit doet DSR eind 2026 en in 2027