Strategisch essay

Europa heeft geen gebrek aan ambities, maar aan operationele slagkracht

Europa praat steeds nadrukkelijker over digitale en technologische soevereiniteit. Terecht. Wie de ontwikkelingen van de afgelopen jaren volgt, ziet dat technologie allang geen neutraal middel meer is. Afhankelijkheden op het gebied van cloud, cybersecurity, AI, telecom, chips en digitale infrastructuur raken steeds directer aan economische veiligheid, publieke dienstverlening en nationale veiligheid.

Ron de JongeHead of Public Sector, Defence & Security Sopra Steria GER & AT

De Europese Commissie heeft die ontwikkeling inmiddels ook vertaald naar concrete beleidsinitiatieven. In juni 2026 presenteerde de Commissie een pakket rond technologische soevereiniteit, met voorstellen voor onder meer chips, cloud en AI, naast een Europese open source-strategie. De ambitie is helder: Europa moet zijn vermogen versterken om kritieke technologieën, infrastructuur, data en digitale ecosystemen te ontwikkelen, te beschermen en in te zetten.

Toch denk ik dat we moeten oppassen dat het debat over soevereiniteit niet te veel blijft steken in de vraag wie iets bezit of waar een technologie vandaan komt. Dat zijn belangrijke vragen, maar ze zijn niet het eindpunt. Uiteindelijk gaat het om iets anders: kunnen we blijven handelen wanneer afhankelijkheden onder druk komen te staan? Daarmee verschuift de discussie van eigendom naar handelingsvermogen.

Van afhankelijkheid naar handelingsvermogen

In het huidige debat worden vraagstukken soms nog te veel in binaire termen benaderd. Europees tegenover niet-Europees. Sovereign tegenover hyperscaler. Afhankelijkheid tegenover autonomie. Maar zo werkt onze digitale werkelijkheid niet.

Geen enkele Europese overheid of grote onderneming zal zich volledig losmaken van mondiale technologie-ecosystemen. Dat zou in veel gevallen ook niet wenselijk zijn. Onze economieën, infrastructuren en digitale voorzieningen zijn juist ontworpen om met elkaar verbonden te zijn. Open standaarden, internationale toeleveringsketens en mondiale technologiebedrijven hebben ons veel gebracht.

De relevante vraag is daarom niet of afhankelijkheden bestaan. Die zullen blijven bestaan. De relevante vraag is of we ze beheersbaar kunnen houden wanneer omstandigheden veranderen.

Kunnen instellingen blijven functioneren wanneer afhankelijkheden kritiek worden?

Dat vraagt om een andere manier van kijken naar digitale infrastructuur. Interoperabiliteit wordt dan belangrijker, omdat organisaties moeten kunnen samenwerken en eventueel kunnen overstappen. Reversibiliteit wordt belangrijker, omdat een afhankelijkheid alleen beheersbaar is als er daadwerkelijk alternatieven bestaan. Auditbaarheid en transparantie worden belangrijker, omdat organisaties moeten weten welke technologieën en partijen essentieel zijn voor hun dienstverlening. En continuïteit wordt uiteindelijk de maatstaf: blijft een kritieke dienst functioneren wanneer een leverancier, netwerk, datacenter, softwarecomponent of geopolitieke relatie plotseling onder druk komt te staan?

Daar ligt voor mij de kern van het debat. De bepalende vraag is niet langer of we afhankelijk zijn. De bepalende vraag is of instellingen kunnen blijven functioneren wanneer afhankelijkheden kritiek worden.

Weerbaarheid als strategisch uitgangspunt

Daarom denk ik dat resilience, of weerbaarheid, uiteindelijk een bruikbaarder strategisch concept kan zijn dan soevereiniteit alleen. Soevereiniteit kan namelijk gemakkelijk een symbolisch begrip worden. Het risico bestaat dat we succes gaan afmeten aan het aantal Europese leveranciers, Europese datacenters of Europese technologieën dat we kunnen aanwijzen. Maar een Europese technologie is niet automatisch een weerbare technologie. En een niet-Europese technologie is niet per definitie een strategisch risico.

Weerbaarheid dwingt ons om prioriteiten te stellen. Welke systemen zijn werkelijk kritiek? Waar is strategische controle noodzakelijk? Waar volstaat interoperabiliteit? Waar moeten we meerdere leveranciers kunnen inzetten? En waar is het noodzakelijk dat we daadwerkelijk kunnen terugvallen op een alternatief? Dat zijn veel concretere vragen dan de vraag of een technologie in absolute zin ‘soeverein’ is.

Europese weerbaarheid betekent niet dat Europa zich moet afsluiten

De Europese Commissie onderkent die beweging ook. In haar huidige benadering van technologische soevereiniteit wordt nadrukkelijk gekeken naar resilience, strategische afhankelijkheden en het vermogen van Europa om onafhankelijk te handelen, terwijl het verbonden blijft met de rest van de wereld.

Dat laatste is belangrijk. Europese weerbaarheid betekent niet dat Europa zich moet afsluiten. Het betekent dat openheid niet mag ontaarden in kwetsbaarheid. Soevereiniteit kan gemakkelijk symbolisch worden. Weerbaarheid dwingt tot prioritering.

Echte vraagstuk is niet alleen technologie

Daarmee komen we bij een tweede dimensie van het vraagstuk. Europa’s uitdaging is niet alleen technologische afhankelijkheid. Het is ook institutionele complexiteit. De Europese bestuursstructuur is in de afgelopen decennia ontwikkeld rond een ingewikkelde maar waardevolle balans tussen marktwerking, regelgeving, democratische legitimiteit en grensoverschrijdende samenwerking. Dat is een belangrijke kracht van het Europese model. Tegelijkertijd heeft die gelaagdheid een keerzijde.

Hoe meer verantwoordelijkheden, bevoegdheden en processen over verschillende organisaties en bestuurslagen zijn verdeeld, hoe groter het risico dat verantwoordelijkheid diffuus wordt. Besluitvorming kan daardoor vertragen. Niet omdat mensen niet weten wat er moet gebeuren, maar omdat het systeem onvoldoende duidelijk maakt wie wanneer moet handelen. Juist onder normale omstandigheden is dat vaak beheersbaar. Onder druk wordt het anders.

Regelgeving alleen maakt een systeem nog niet weerbaar

Een cyberaanval, langdurige verstoring van een cloudvoorziening, een tekort aan kritieke componenten of een geopolitieke escalatie houdt zich niet aan bestuurlijke grenzen. Een organisatie kan zich dan niet veroorloven om eerst alle verantwoordelijkheden, mandaten en overlegstructuren opnieuw uit te zoeken. Dat betekent niet dat we minder moeten reguleren of democratische controle moeten verminderen. Integendeel. Juist voor Europa zijn rechtsstatelijkheid, transparantie en democratische legitimiteit essentieel.

Maar regelgeving alleen maakt een systeem nog niet weerbaar. Op enig moment levert meer controle niet automatisch meer veiligheid op. Weerbaarheid vraagt daarnaast om het vermogen om onder onzekerheid beslissingen te nemen. Om vooraf te bepalen welke risico’s acceptabel zijn, welke afhankelijkheden kritisch zijn en welke handelingsopties beschikbaar moeten blijven. Dat is uiteindelijk een bestuurlijke en operationele opgave.

Europa’s eigen positie

Europa zal daarbij waarschijnlijk geen kopie worden van het Amerikaanse of Chinese model. De Verenigde Staten beschikken over een uitzonderlijke innovatiekracht, grote technologiebedrijven, hyperscale-platforms en diepe kapitaalmarkten. China combineert schaal met een vergaande centrale strategische coördinatie tussen overheid, infrastructuur en industrie.

Europa heeft een andere uitgangspositie. Onze kracht ligt mogelijk juist in de combinatie van technologische kennis, industriële diepte, democratische legitimiteit, betrouwbare instituties en internationale samenwerking. Maar die combinatie is complexer. Europa moet open blijven en strategisch bewuster worden. We moeten kunnen samenwerken met mondiale technologiebedrijven én tegelijk weten welke afhankelijkheden voor ons onaanvaardbaar zijn. We moeten innovatie stimuleren en ervoor zorgen dat kritieke systemen controleerbaar en uitlegbaar blijven.

Blijft de dienstverlening beschikbaar wanneer de omstandigheden veranderen?

Dat vraagt om volwassenheid in het debat. Niet iedere afhankelijkheid is een probleem. Maar iedere kritieke afhankelijkheid waarvan de consequenties onvoldoende beheersbaar zijn, verdient aandacht. Daarmee wordt de vraag steeds concreter: onder welke jurisdictie opereert een systeem? Wie kan daadwerkelijk ingrijpen wanneer er iets misgaat? Wie heeft controle over de kritieke infrastructuur? Kunnen systemen worden geaudit? Kunnen organisaties overstappen? En vooral: blijft de dienstverlening beschikbaar wanneer de omstandigheden veranderen?

Dit zijn vragen op het snijvlak van technologie, governance en veiligheid. Precies daar zal Europa de komende jaren zijn vermogen om strategisch te handelen moeten bewijzen.

Van strategie naar capability

In gesprekken over Europese resilience valt mij steeds hetzelfde op: Europa heeft zelden een tekort aan strategische intentie. Er zijn strategieën. Er zijn beleidsprogramma’s. Er zijn regelgevingstrajecten, investeringsagenda’s en Europese initiatieven. De ambitie is er.

De moeilijkere vraag is hoe we die ambitie vertalen naar operationele capability. Dat vraagt om meer dan nieuwe technologie of nieuwe regelgeving. Het vraagt om organisaties die daadwerkelijk in staat zijn om onder druk te functioneren. Om publiek-private ecosystemen waarin verantwoordelijkheid niet alleen contractueel, maar ook operationeel is geregeld. Om langetermijninvesteringen in kennis en capaciteit. Om leiderschap dat prioriteiten durft te stellen wanneer niet alle risico’s tegelijkertijd kunnen worden opgelost.

Kan een organisatie haar dienstverlening blijven leveren wanneer omstandigheden fundamenteel veranderen?

Daarmee verandert ook de betekenis van digitale transformatie. De vraag is niet langer uitsluitend of een organisatie efficiënter, goedkoper of sneller kan werken. De vraag wordt ook of zij haar dienstverlening kan blijven leveren wanneer omstandigheden fundamenteel veranderen. Dat is een veel hogere lat.

Een organisatie die onder normale omstandigheden uitstekend functioneert, maar bij een langdurige verstoring niet meer weet wie mag beslissen, waar alternatieve capaciteit beschikbaar is of hoe snel van technologie kan worden gewisseld, is niet werkelijk weerbaar. Resilience is daarom uiteindelijk geen puur technische eigenschap. Het is het vermogen van organisaties, instituties en samenlevingen om te blijven functioneren wanneer systemen onder druk komen te staan, afhankelijkheden veranderen en informatie onvolledig is.

Komende tien jaar

Europa gaat een periode tegemoet waarin geopolitieke fragmentatie, technologische concentratie en onderlinge afhankelijkheid tegelijkertijd toenemen. De Europese discussie over technologische soevereiniteit zal daardoor alleen maar belangrijker worden. De recente Europese initiatieven laten zien dat die ontwikkeling inmiddels hoog op de strategische agenda staat.

Maar we moeten voorkomen dat soevereiniteit een doel op zichzelf wordt. Het doel is niet om iedere afhankelijkheid uit te bannen. Dat is noch realistisch, noch noodzakelijk. Het doel is om ervoor te zorgen dat kritieke afhankelijkheden zichtbaar, beheersbaar en waar nodig omkeerbaar zijn.

Blijft Europa in staat om zelfstandig te beslissen en daadwerkelijk te handelen wanneer de wereld om ons heen complexer, onvoorspelbaarder en minder coöperatief wordt?

Dat vraagt om een verschuiving van denken: van ownership naar capability, van controle naar handelingsvermogen en van afhankelijkheid naar weerbaarheid. Want uiteindelijk wordt Europa’s positie niet bepaald door de vraag of het volledig autonoom kan worden. Die volledige autonomie bestaat in een onderling verbonden wereld nauwelijks. De werkelijke vraag is of Europa in staat blijft om zelfstandig te beslissen en daadwerkelijk te handelen wanneer de wereld om ons heen complexer, onvoorspelbaarder en minder coöperatief wordt. Daar ligt naar mijn overtuiging de echte betekenis van Europese digitale soevereiniteit. De centrale uitdaging voor Europa is niet langer alleen technologische afhankelijkheid. Het is de vraag of democratische samenlevingen hun operationele slagkracht kunnen behouden onder omstandigheden van permanente complexiteit.

VORIGE

MENU

VOLGENDE